Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor rivieren, kanalen en meren.
Voor de vaart op de overige binnenwateren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle binnenwateren.
Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20 meter;
pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter;
vervallen;
schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken.