Ga naar inhoud

Binnenvaartbesluit#

Hoofdstuk 3 [Regels aan boord]#

§ 3 Vaarbewijs#

Artikel 13 BVB#

  1. Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor rivieren, kanalen en meren.
  2. Voor de vaart op de overige binnenwateren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle binnenwateren.

Artikel 14 BVB#

  1. Een groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
    1. schepen met een lengte van ten minste 20 meter;
    2. passagiersschepen;
    3. veerponten die:
      1. zijn bestemd of worden gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanningsleden, of
      2. Door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van 30 kilometer per uur of meer ten opzichte van het water kunnen bereiken;
    4. veerboten, of
    5. sleepboten, duwboten of sleepduwboten.
  2. Een groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van schepen waarvoor een beperkt groot vaarbewijs of een klein vaarbewijs vereist is.

Artikel 15 BVB#

  1. Een beperkt groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
    1. schepen met een lengte van ten minste 20 meter en minder dan 40 meter, met uitzondering van:
      1. pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter, en
      2. schepen die behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, genoemde categorieën, of
    2. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 25 meter en minder dan 40 meter, indien:
      1. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
      2. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt.
  2. Een beperkt groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van een schip waarvoor een klein vaarbewijs vereist is.

Artikel 16 BVB#

  1. Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
    1. schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20 meter;
    2. pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter;
    3. vervallen;
    4. schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken.

Artikel 17 BVB#

  1. Het bezit van een vaarbewijs is niet vereist voor het voeren van:
    1. schepen die uitsluitend door spierkracht worden voortbewogen;
    2. drijvende werktuigen die zich bevinden in een grind- of zandgat;
    3. bunkerstations.