Ga naar inhoud

Scheepvaartverkeerswet#

Hoofdstuk 2 [Bepalingen met betrekking tot de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen]#

Artikel 4 SVW#

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
    1. het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen;
    2. verkeerstekens;
    3. bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken;
    4. verkeersaanwijzingen;
    5. het ontvangen, bewaren en verstrekken van gegevens met betrekking tot de scheepvaart door het bevoegd gezag en door organisaties en personen die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer.

Hoofdstuk 7 [Straf-, opsporings- en politiebepalingen]#

Artikel 26 SVW#

Het is verboden om opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend schip of ander vaartuig te gebruiken voor het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op een scheepvaartweg.

Artikel 27 SVW#

  1. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verboden dit te doen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan — al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof — de vaardigheid voor het voeren of sturen van dat schip, dan wel de bekwaamheid tot het adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer, kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht dat schip naar behoren te kunnen voeren of te kunnen sturen, dan wel de kapitein of de verkeersdeelnemer naar behoren te kunnen adviseren.
  2. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verboden dit te doen, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
    1. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht;
    2. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
  3. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert verboden dit te doen sturen door een persoon, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste lid of tweede lid omschreven.
  4. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend klein schip voert of stuurt verboden dit te doen terwijl hij verkeert in een toestand als omschreven in het eerste of tweede lid en het verkeer belemmert of dreigt te belemmeren.
  5. In dit artikel en in de artikelen 28, 28a en 29 wordt onder een varend schip verstaan een schip dat niet ten anker of gemeerd ligt.
  6. In dit artikel wordt onder een klein schip verstaan:
    1. een schip met een lengte van minder dan 20 meter dat uitsluitend door spierkracht wordt voortbewogen;
    2. een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen of dat ter voortbeweging gebruik maakt van een motor waarmee geen hogere snelheid bereikt kan worden dan zes kilometer per uur.
  7. In dit artikel wordt onder lengte van een schip verstaan de grootste lengte van de romp gemeten van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste deel van het schip.

Artikel 28 SVW#

  1. Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verplicht zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die opsporingsambtenaar aangewezen apparaat.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren.

Artikel 28a SVW#

  1. Indien degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verdacht wordt van handelen in strijd met artikel 27, eerste, tweede of vierde lid, kan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a.
  2. De verdachte aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren, indien de opsporingsambtenaar redelijkerwijs kan aannemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met artikel 27, eerste of tweede lid.
  4. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een onderzoek van uitgeademde lucht voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
  5. In het geval bedoeld in het vierde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek van uitgeademde lucht, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 27, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
  6. Indien de verdachte zijn op grond van het vijfde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
  7. De verdachte die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
  8. De in het zevende lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
  9. De krachtens het achtste lid van de in het zevende lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 27, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 27, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.
  10. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met de toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zevende lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het zesde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen wordt het bloedmonster vernietigd.
  11. Bij algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 28 en van dit artikel. Deze regels hebben mede betrekking op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.

Artikel 29 SVW#

  1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering kan, indien hij een ernstige verdenking heeft dat degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie adviseert, handelt in strijd met artikel 27, eerste, tweede of vierde lid, aan die persoon een verbod opleggen op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, voor de tijd gedurende welke hij verwacht dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, indien de opsporingsambtenaar ernstige reden heeft om aan te nemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met artikel 27, eerste of tweede lid.
  3. Het is degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, gedurende de tijd waarvoor het verbod geldt, verboden op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren.
  4. Degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, is verplicht de bevelen die door de opsporingsambtenaar worden gegeven voor de uitvoering van het verbod op te volgen.

Artikel 31 SVW#

  1. Handelen in strijd met artikel 26 wordt, voorzoveel daartegen niet bij het Wetboek van Strafrecht is voorzien, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
  2. Handelen in strijd met de artikelen 27, eerste tot en met vierde lid, 28a, tweede, zevende, negende en tiende lid, en artikel 29, derde en vierde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
  3. Handelen in strijd met artikel 28 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
  4. vervallen.
  5. vervallen.
  6. vervallen.
  7. vervallen.
  8. vervallen.
  9. vervallen.
  10. vervallen.
  11. vervallen.
  12. vervallen.
  13. De in het eerste en tweede lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in of krachtens het derde tot en met tiende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 33 SVW#

Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering kan, indien hij op grond van feiten of omstandigheden redelijkerwijze kan vermoeden dat een schip betrokken is geweest bij een aanvaring waarbij een persoon is gedood, letsel heeft bekomen of in zijn gezondheid is benadeeld dan wel aan enige zaak die niet toebehoort aan een persoon die zich op het schip bevindt, schade is toegebracht, in het belang van de opsporing van de verkeersdeelnemer of de andere personen die deel uitmaken van de bemanning vorderen dat zij de inlichtingen en gegevens verstrekken die nodig zijn voor de vaststelling van hun identiteit en van die van het schip.