Ga naar inhoud

Regeling voertuigen#

Hoofdstuk 5 Permanente eisen#

Afdeling 2 Personenauto’s#

Artikel 5.2.9 RV [Brandstofsysteem]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen. Controleer het voertuig visueel met draaiende motor.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.

Artikel 5.2.11 RV [Uitlaatsysteem en geluid]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
Een personenauto met verbrandingsmotor moet een over de gehele lengte gasdicht uitlaatsysteem hebben. Visuele en auditieve controle met draaiende motor.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Het voertuig mag bij de uitlaat niet meer geluid produceren dan de geregistreerde waarde, vermeerderd met 2 dB(A). Is geen waarde geregistreerd, dan geldt een maximum van 95 dB(A): bij 3.500 min⁻¹ voor elektrische ontsteking, 2.000 min⁻¹ voor compressieontsteking en 1.500 min⁻¹ voor personenauto’s zwaarder dan 3.500 kg. Auditieve controle en, indien een geschikte in-game meting beschikbaar is, een geluidsmeting.

Artikel 5.2.11a RV [Vloeistoflekkage]#

Bij personenauto’s die na 31 december 2017 in gebruik zijn genomen, mogen andere onderdelen dan het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, behalve water, geen overmatige vloeistoflekkage vertonen.

Artikel 5.2.12a RV [Elektrische aandrijflijn]#

De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrische en hybride personenauto’s mogen niet zijn beschadigd of lekken en moeten goed zijn afgeschermd.

Artikel 5.2.15 RV [Snelheidsmeter]#

Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten een goed werkende snelheidsmeter hebben die ook bij nacht goed afleesbaar is.

Artikel 5.2.16 RV [Aandrijving]#

De aandrijving van een personenauto moet deugdelijk functioneren. Controle vindt plaats met een visuele controle en, indien nodig, een rijproef.

Artikel 5.2.18 RV [Assen]#

Assen mogen niet gebroken, gescheurd of zodanig beschadigd of vervormd zijn dat de sterkte of het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 5.2.20 RV [Wiellagers]#

Wiellagers mogen niet te veel speling hebben. Slijtage of beschadiging mag niet hoorbaar of voelbaar zijn.

Artikel 5.2.24 RV [Wielen en velgen]#

Wielen en velgen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen en mogen niet loszitten of ontbreken.

Artikel 5.2.27 RV [Banden]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
De wielen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
Banden mogen geen beschadigingen hebben waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. Visuele controle door ieder wiel te bekijken.
Banden op één as moeten dezelfde maat hebben, behalve bij het gebruik van een nood- of reservewiel. Visuele controle.
De banden moeten de juiste spanning hebben; banden op één as moeten bij gebrek aan een voorgeschreven spanning een gelijke spanning hebben. Controle via de voertuigstatus of een daarvoor bestemde in-game meting.

Artikel 5.2.28 RV [Veersysteem en schokdempers]#

Een personenauto moet een goed werkend veersysteem en goed werkende schokdempers hebben. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

Artikel 5.2.29 RV [Stuurinrichting]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Functiecontrole bij stilstand en tijdens een rijproef.
Bij volledig insturen mogen de wielen en banden vrij blijven draaien. Functiecontrole in de uiterste linker- en rechterstuurstand.
De stuurbekrachtiging moet goed functioneren en mag geen ernstige lekkage vertonen. Rijproef en visuele controle.
Een waarschuwingsinrichting voor elektronische stuurbekrachtiging mag geen defect aangeven. Controleer zichtbare of hoorbare voertuigmeldingen.

Artikel 5.2.31 RV [Reminrichting]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
De reminrichting mag niet beschadigd, gescheurd, gebroken of lek zijn. Visuele controle en functiecontrole.
De rembekrachtiger en remkrachtregelaar moeten goed functioneren. Remproef.
Het rempedaal moet bruikbaar zijn en mag niet tot de aanslag kunnen worden ingetrapt. Functiecontrole.
Bij personenauto’s die na 31 december 2017 in gebruik zijn genomen, mogen waarschuwingsinrichtingen voor ABS en het elektronische remsysteem geen defect aangeven. Controleer zichtbare of hoorbare voertuigmeldingen en voer bij twijfel een rijproef uit.

Artikel 5.2.38 RV [Remwerking]#

  1. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
  2. Een personenauto mag bij het remmen niet uitbreken door een verschil in remwerking tussen de wielen van één as.
  3. De minimale remvertraging bedraagt 5,8 m/s² voor personenauto’s die na 31 december 2011 in gebruik zijn genomen, 5,2 m/s² voor personenauto’s van na 30 juni 1967 tot en met 31 december 2011 en 3,8 m/s² voor oudere personenauto’s.

Artikel 5.2.41 RV [Deuren, motorkap en kofferdeksel]#

  1. De deuren moeten goed sluiten. Deuren die rechtstreeks toegang geven tot de personenruimte moeten normaal van binnen en buiten kunnen worden geopend.
  2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel moeten een goede sluiting waarborgen.

Artikel 5.2.42 RV [Ruiten]#

Controleerbare eis Controle in FiveM
De voorruit en de zijruiten naast de bestuurder mogen geen beschadigingen of verkleuringen hebben. Visuele controle.
Op of bij deze ruiten mogen geen onnodige voorwerpen het zicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle vanuit de bestuurderspositie.
De lichtdoorlatendheid van deze ruiten mag niet minder dan 55% zijn. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Ontbreekt een rechterbuitenspiegel, dan mag ook de achterruit niet beschadigd, verkleurd of onnodig afgeschermd zijn. Visuele controle.

Artikel 5.2.43 RV [Ruitenwisser- en ruitensproeierinstallatie]#

  1. Een personenauto met een voorruit moet een goed werkende ruitenwisserinstallatie hebben die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
  2. Personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten een goed werkende ruitensproeierinstallatie hebben.

Artikel 5.2.45 RV [Spiegels]#

  1. Personenauto’s die na 25 januari 2010 in gebruik zijn genomen, moeten een linker- en rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel hebben. Een binnenspiegel is niet vereist als daarmee het achterliggende weggedeelte niet kan worden overzien.
  2. Verplichte spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gebroken of ernstig verweerd zijn.
  3. Verplichte spiegels mogen zijn vervangen door goed werkende en deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.

Artikel 5.2.46 RV [Zitplaatsen]#

  1. Personenauto’s die na 31 december 2014 in gebruik zijn genomen, mogen in beginsel geen zijdelings gerichte zitplaatsen hebben.
  2. Zitplaatsen en rugleuningen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Verstelbare zitplaatsen en rugleuningen moeten kunnen worden vergrendeld.

Artikel 5.2.47 RV [Gordels en airbags]#

  1. Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten gordels hebben voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
  2. Gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd, onbeschadigd zijn en een goed werkende sluiting en blokkering hebben.
  3. Bij personenauto’s die na 31 december 2017 in gebruik zijn genomen, mogen waarschuwingsinrichtingen voor het gordelspansysteem, de gordelkrachtbegrenzing en het airbagsysteem geen defect aangeven.

Artikel 5.2.48 RV [Uitwendige veiligheid]#

  1. Personenauto’s mogen geen scherpe of uitstekende delen hebben die bij een botsing het gevaar voor lichamelijk letsel aanzienlijk kunnen vergroten.
  2. Wielen en banden moeten goed zijn afgeschermd, mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken en mogen niet aanlopen.
  3. Geen deel van de buitenzijde mag door beschadiging, slijtage of ondeugdelijke bevestiging gevaar voor losraken opleveren.

Artikel 5.2.51 RV [Verplichte verlichting]#

Een personenauto moet zijn voorzien van goed geplaatste verlichting. Binnen FiveM worden de volgende voorzieningen gecontroleerd, voor zover deze op grond van de datum van eerste toelating en de afmetingen van het voertuig verplicht zijn:

  • twee grote lichten en twee dimlichten;
  • twee stadslichten;
  • richtingaanwijzers voor en achter en, bij daarvoor in aanmerking komende voertuigen, zijrichtingaanwijzers;
  • waarschuwingsknipperlichten;
  • twee achterlichten en één of twee remlichten;
  • achterkentekenplaatverlichting;
  • een mistachterlicht en een achteruitrijlicht.

Artikel 5.2.53 RV [Kleur van de verplichte verlichting]#

Verlichting Toegestane kleur
Groot licht, dimlicht, stadslicht en achteruitrijlicht Wit of geel
Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten Voor ambergeel of wit; achter ambergeel of rood
Zijrichtingaanwijzers Ambergeel
Achterlichten en mistachterlichten Rood
Remlichten Rood of ambergeel; een derde remlicht is rood
Achterkentekenplaatverlichting Wit en niet naar achteren stralend

Artikel 5.2.55 RV [Werking van de verplichte verlichting]#

  1. De verplichte lichten moeten goed werken en de lichtarmaturen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
  2. Glazen van lichtarmaturen mogen niet ontbreken of zo zijn beschadigd of bewerkt dat de lichtopbrengst, het lichtbeeld of de functie nadelig wordt beïnvloed.
  3. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg gelijk zijn in grootte, kleur en sterkte en nagenoeg symmetrisch zijn aangebracht.
  4. Verplichte lichten en retroreflectoren mogen voor ten hoogste 25% zijn afgeschermd.

Artikel 5.2.56 RV [Afstelling van dimlichten]#

De dimlichten moeten goed zijn afgesteld.

Artikel 5.2.57 RV [Toegestane extra verlichting]#

Personenauto’s mogen onder meer zijn voorzien van mistvoorlichten, extra grootlichten, extra stads- en achterlichten, parkeerlichten, extra achteruitrijlichten, extra richtingaanwijzers, werklichten, dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten. Deze lichten moeten voldoen aan de voorgeschreven kleur, werking en plaatsing.

Artikel 5.2.57a RV [Bijzondere verlichting]#

  1. Voertuigen van bevoegde hulpdiensten mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten.
  2. Voertuigen die worden gebruikt voor de daarvoor aangewezen werkzaamheden mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
  3. Alleen voertuigen als bedoeld in artikel 41a RVV 1990 mogen de daar toegestane verlichte transparanten voeren.

Artikelen 5.2.59 tot en met 5.2.62 RV [Afstelling en werking van extra verlichting]#

  1. Mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld.
  2. Extra verlichting moet de in artikel 5.2.59 voorgeschreven kleur hebben. Dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten stralen wit.
  3. Armaturen voor extra verlichting moeten deugdelijk bevestigd, onbeschadigd en nagenoeg symmetrisch aangebracht zijn.
  4. Het ingeschakeld zijn van groot licht, mistlichten, richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten moet, voor zover artikel 5.2.62 dit voorschrijft, met een zichtbaar of hoorbaar signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.

Artikel 5.2.64 RV [Verblindende en knipperende verlichting]#

  1. Personenauto’s mogen, met uitzondering van groot licht, geen verblindende lichten hebben.
  2. Alleen richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, het noodstopsignaal en wettelijk toegestane bijzondere verlichting mogen knipperen.

Artikel 5.2.65 RV [Niet-toegestane verlichting]#

  1. Personenauto’s mogen niet meer verlichting of retroreflecterende voorzieningen hebben dan wettelijk is voorgeschreven of toegestaan.
  2. In het voertuig aanwezige lichten of objecten mogen geen licht naar buiten uitstralen. In combinatie met het verbod op meer verlichting dan is toegestaan, is niet-toegestane neonverlichting verboden.
  3. Een voertuig dat niet bij een bevoegde hulpdienst in gebruik is, mag geen armaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten hebben en ook niet de indruk wekken daarmee te zijn uitgerust.

Artikel 5.2.66 RV [Koppelinrichting]#

Een aanwezige inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd.

Artikel 5.2.71 RV [Geluidssignaalinrichting]#

  1. Een personenauto moet een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte hebben.
  2. Alleen bevoegde hulpdienstvoertuigen mogen de voorgeschreven tweetonige hoorn hebben.
  3. Andere geluidssignaalinrichtingen zijn uitsluitend toegestaan voor achteruitrijwaarschuwing, diefstalpreventie en de wettelijk omschreven voertuigwaarschuwingssystemen.

Artikel 5.2.72 RV [Afscherming tussen zitplaatsen]#

  1. Een afscherming in de lengterichting tussen zitplaatsen is in beginsel niet toegestaan.
  2. Een toegestane afscherming tussen zitrijen moet deugdelijk zijn bevestigd, mag de veiligheidssystemen, deuren en nooduitgangen niet belemmeren en mag geen gevaarlijke scherpe delen hebben.

Artikelen 5.2.75, 5.2.76, 5.2.78 en 5.2.79 RV [Taxi’s en aangepaste voertuigen]#

  1. Stoelen, banken en interieurdelen van een taxi mogen de doorgang naar een deur of uitgang niet belemmeren.
  2. Een in het voertuig aangebrachte nooduitgang, noodhamer of tweede deurklink moet aanwezig, bereikbaar en bruikbaar zijn.
  3. Aanwezige bevestigingssystemen voor rolstoelen en de bijbehorende gordels moeten passend, onbeschadigd en goed werkend zijn.
  4. Een aanwezige ligplaats moet een vastzetinrichting voor een draagbaar hebben en, indien vereist, voorkomen dat een passagier uit de ligplaats kan raken.

Afdelingen 3, 3a en 5 Bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen#

Voor deze voertuigcategorieën gelden op dezelfde in-game controlepunten eigen, parallelle artikelen. De voertuigcategorie-specifieke tekst en grenswaarden uit het genoemde artikel blijven van toepassing.

Onderwerp Bedrijfsauto’s Bussen Driewielige motorrijtuigen
Brandstofsysteem 5.3.9 5.3a.9 5.5.9
Uitlaat en geluid 5.3.11 5.3a.11 5.5.11
Overmatige vloeistoflekkage 5.3.11a 5.3a.11a 5.5.11a
Snelheidsmeter en aandrijving 5.3.15 en 5.3.16 5.3a.15 en 5.3a.16 5.5.15 en 5.5.16
Assen, wiellagers, wielen en banden 5.3.18, 5.3.20, 5.3.24 en 5.3.27 5.3a.18, 5.3a.20, 5.3a.24 en 5.3a.27 5.5.18, 5.5.20, 5.5.24 en 5.5.27
Vering en stuurinrichting 5.3.28 en 5.3.29 5.3a.28 en 5.3a.29 5.5.28, 5.5.29 en 5.5.30
Reminrichting en remwerking 5.3.31 en 5.3.38 5.3a.31 en 5.3a.38 5.5.31 en 5.5.38
Deuren, ruiten, ruitenwissers en spiegels 5.3.41, 5.3.42, 5.3.43 en 5.3.45 5.3a.41, 5.3a.42, 5.3a.43 en 5.3a.45 5.5.41, 5.5.42, 5.5.43 en 5.5.45
Zitplaatsen, gordels en uitwendige veiligheid 5.3.46 tot en met 5.3.48 5.3a.46 tot en met 5.3a.48 5.5.46 tot en met 5.5.48
Verplichte verlichting, kleur en werking 5.3.51, 5.3.53 en 5.3.55 5.3a.51, 5.3a.53 en 5.3a.55 5.5.51, 5.5.53 en 5.5.55
Extra en bijzondere verlichting, afstelling en signalering 5.3.57 tot en met 5.3.62 5.3a.57 tot en met 5.3a.62 5.5.57 tot en met 5.5.62
Verblindende, knipperende en niet-toegestane verlichting 5.3.64 en 5.3.65 5.3a.64 en 5.3a.65 5.5.64 en 5.5.65
Koppelinrichting 5.3.66 tot en met 5.3.69 5.3a.66 tot en met 5.3a.68 5.5.66
Geluidssignaalinrichting 5.3.71 5.3a.71 5.5.71

Afdelingen 4 en 6 Motorfietsen en bromfietsen#

Artikelen 5.4.9 en 5.4.11 RV [Brandstofsysteem, uitlaat en geluid]#

  1. Het brandstofsysteem van een motorfiets mag niet lekken en de vulopening moet een passende tankdop hebben.
  2. Het uitlaatsysteem moet over de gehele lengte gasdicht en deugdelijk bevestigd zijn.
  3. De motorfiets mag bij de uitlaat niet meer geluid produceren dan voor het voertuig is toegestaan.

Artikelen 5.4.15 en 5.4.16 RV [Snelheidsmeter en transmissie]#

Motorfietsen die na 26 november 1975 in gebruik zijn genomen, moeten een goed werkende en ook bij nacht afleesbare snelheidsmeter hebben. De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk functioneren.

Artikelen 5.4.18, 5.4.20, 5.4.24, 5.4.27 en 5.4.28 RV [Assen, wielen, banden en vering]#

  1. Assen, wielen en velgen mogen niet gebroken, gescheurd, ernstig vervormd, los of ontbrekend zijn.
  2. Slijtage of beschadiging van wiellagers mag niet hoorbaar of voelbaar zijn.
  3. Banden mogen geen zichtbare karkasschade of uitstulpingen hebben en niet tegen andere voertuigdelen aanlopen.
  4. Het veersysteem moet goed werken. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

Artikelen 5.4.29, 5.4.31 en 5.4.38 RV [Stuurinrichting en remmen]#

  1. De stuurinrichting moet vrij en zonder zware punten van uiterst links naar uiterst rechts bewegen.
  2. De reminrichting mag niet beschadigd of lek zijn en de remhendel of het rempedaal moet goed werken.
  3. Ten minste één rem moet het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remmen. De toepasselijke minimale remvertraging is afhankelijk van de datum van eerste toelating.

Artikelen 5.4.41, 5.4.45, 5.4.46 en 5.4.48 RV [Carrosserie, spiegels en zitplaatsen]#

  1. Een windscherm, stroomlijnkap of bagagevoorziening mag de bediening niet belemmeren en moet deugdelijk zijn bevestigd.
  2. Verplichte spiegels moeten aanwezig, deugdelijk bevestigd en onbeschadigd zijn.
  3. Zitplaatsen en voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
  4. De motorfiets mag geen gevaarlijke scherpe of losrakende delen hebben.

Artikelen 5.4.51, 5.4.53 en 5.4.55 RV [Verplichte verlichting]#

Een motorfiets moet ten minste groot licht, dimlicht, een achterlicht, een remlicht, achterkentekenplaatverlichting en, voor zover op grond van de datum van eerste toelating vereist, stadslicht en richtingaanwijzers hebben. De verlichting moet goed werken en mag niet zijn afgeschermd. Voorlichten zijn wit of geel, richtingaanwijzers ambergeel en achterlichten rood.

Artikelen 5.4.57 tot en met 5.4.62, 5.4.64 en 5.4.65 RV [Extra en niet-toegestane verlichting]#

  1. Alleen de in artikel 5.4.57 genoemde extra verlichting is toegestaan.
  2. Blauwe en groene bijzondere verlichting is voorbehouden aan bevoegde hulpdiensten; geel licht is alleen toegestaan voor aangewezen werkzaamheden.
  3. Met uitzondering van groot licht mag verlichting niet verblinden. Alleen richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en wettelijk toegestane bijzondere verlichting mogen knipperen.
  4. Niet-toegestane verlichting en vanuit het voertuig naar buiten stralende objecten, waaronder niet-toegestane neonverlichting, zijn verboden.

Artikel 5.4.66 RV [Koppelinrichting]#

Een aanwezige inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd.

Artikel 5.4.71 RV [Geluidssignaalinrichting]#

Een motorfiets moet een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte hebben. Alleen bevoegde hulpdienstmotorfietsen mogen een tweetonige hoorn hebben.

Voor bromfietsen gelden dezelfde controlepunten op grond van de volgende eigen artikelen:

Onderwerp Artikelen bromfietsen
Brandstofsysteem, uitlaat en geluid 5.6.9 en 5.6.11
Aandrijving, assen, wielen, banden en vering 5.6.15, 5.6.16, 5.6.18, 5.6.20, 5.6.24, 5.6.27 en 5.6.28
Stuurinrichting en remmen 5.6.29, 5.6.31 en 5.6.38
Carrosserie, spiegels, zitplaatsen en uitwendige veiligheid 5.6.41, 5.6.45, 5.6.46, 5.6.47 en 5.6.48
Verlichting 5.6.51 tot en met 5.6.59a, 5.6.64 en 5.6.65
Koppelinrichting 5.6.66
Geluidssignaalinrichting 5.6.71

Afdelingen 7, 7a en 8 Werkvoertuigen#

Voor in-game motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en landbouw- of bosbouwtrekkers zijn de volgende onderdelen controleerbaar. De precieze eisen verschillen per voertuigcategorie en worden daarom toegepast volgens het genoemde artikel.

Onderwerp Motorrijtuigen met beperkte snelheid Mobiele machines Landbouw- of bosbouwtrekkers
Brandstofsysteem, uitlaat en lekkage 5.7.9 en 5.7.11 5.7a.9, 5.7a.11 en 5.7a.11a 5.8.9, 5.8.11 en 5.8.11a
Aandrijving, assen, wielen, banden en vering 5.7.14, 5.7.16, 5.7.18, 5.7.20, 5.7.24, 5.7.27 en 5.7.28 5.7a.14 tot en met 5.7a.16, 5.7a.18, 5.7a.20, 5.7a.24, 5.7a.27 en 5.7a.28 5.8.14 tot en met 5.8.16, 5.8.18, 5.8.20, 5.8.24, 5.8.27 en 5.8.28
Stuurinrichting en remmen 5.7.29, 5.7.31, 5.7.38 en 5.7.39 5.7a.29, 5.7a.31, 5.7a.38 en 5.7a.39 5.8.29, 5.8.31, 5.8.38 en 5.8.39
Carrosserie en uitwendige veiligheid 5.7.41 tot en met 5.7.43 en 5.7.45 tot en met 5.7.48 5.7a.41 tot en met 5.7a.43 en 5.7a.45 tot en met 5.7a.48 5.8.41 tot en met 5.8.43 en 5.8.45 tot en met 5.8.49
Verlichting 5.7.51, 5.7.53 tot en met 5.7.62, 5.7.64 en 5.7.65 5.7a.51, 5.7a.53 tot en met 5.7a.62, 5.7a.64 en 5.7a.65 5.8.51, 5.8.53 tot en met 5.8.62, 5.8.64 en 5.8.65
Koppeling en geluidssignaalinrichting 5.7.66 en 5.7.71 5.7a.66 tot en met 5.7a.70 en 5.7a.71 5.8.66 tot en met 5.8.70 en 5.8.71

Afdeling 9 Fietsen#

Artikelen 5.9.3 en 5.9.29 RV [Frame en stuurinrichting]#

Het frame mag niet zo zijn vervormd, gebroken of gescheurd dat de sterkte in gevaar komt. De fiets moet een deugdelijke stuurinrichting hebben.

Artikelen 5.9.38 en 5.9.39 RV [Reminrichting]#

Een fiets moet ten minste één goed werkende rem hebben. Een fiets met uitsluitend velgremmen moet twee afzonderlijke, goed werkende remmen hebben waarmee twee wielen worden geremd.

Artikel 5.9.48 RV [Uitwendige veiligheid]#

Een fiets mag geen scherpe delen hebben die bij een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

Artikelen 5.9.51, 5.9.54 en 5.9.55 RV [Retroreflectoren]#

Een fiets op twee wielen moet een rode retroreflector aan de achterzijde, witte of gele retroreflectoren aan de wielen en ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers hebben. De retroreflectoren mogen niet ernstig beschadigd of voor meer dan 25% afgeschermd zijn.

Artikel 5.9.65 RV [Niet-toegestane retroreflectoren]#

Een fiets mag niet meer retroreflecterende voorzieningen hebben dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52, 5.9.57 en 5.9.57a is voorgeschreven of toegestaan.

Artikel 5.9.71 RV [Bel]#

Een fiets moet een goed werkende bel hebben.

Afdelingen 12 tot en met 15 Aanhangwagens#

Voor in-game aanhangwagens zijn, afhankelijk van de voertuigcategorie, de volgende permanente eisen controleerbaar:

Onderwerp Aanhangwagen zwaarder dan 750 kg Aanhangwagen tot en met 750 kg Landbouw- of bosbouwaanhangwagen Motorfiets- of bromfietsaanhangwagen
Wielen en banden 5.12.24 en 5.12.27 5.13.24 en 5.13.27 5.14.24 en 5.14.27 5.15.24 en 5.15.27
Reminrichting 5.12.31, 5.12.38 en 5.12.39 5.13.31 5.14.31, 5.14.38 en 5.14.39 Niet van toepassing
Carrosserie en uitwendige veiligheid 5.12.41, 5.12.46 tot en met 5.12.49 5.13.41, 5.13.46 tot en met 5.13.48 5.14.41, 5.14.48 en 5.14.49 5.15.41, 5.15.48 en 5.15.50
Verlichting 5.12.51 tot en met 5.12.65 5.13.51 tot en met 5.13.65 5.14.51 tot en met 5.14.65 5.15.51 tot en met 5.15.65
Koppeling 5.12.66 tot en met 5.12.70 5.13.66 en 5.13.67 5.14.66 tot en met 5.14.70 5.15.66, 5.15.67 en 5.15.70

De wielen, banden, remmen en carrosserie moeten deugdelijk en onbeschadigd zijn. Verplichte achterlichten, remlichten, richtingaanwijzers, kentekenplaatverlichting en retroreflectoren moeten aanwezig zijn, de juiste kleur hebben en goed werken. De koppeling moet passend, deugdelijk en onbeschadigd zijn.

Afdeling 18 Gebruikseisen#

Artikel 5.18.1 RV [Aantal en soort aanhangwagens]#

  1. Met een motorvoertuig mag in beginsel niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
  2. Met een gelede bus of een motorfiets met ongeremde zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
  3. Met een bijzondere bromfiets mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
  4. Een motorvoertuig mag geen aanhangwagen voortbewegen als daardoor de toegestane lengte van het samenstel wordt overschreden.

Artikel 5.18.2 RV [Slepen]#

  1. Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.
  2. Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.
  3. Met een tweewielig motorvoertuig, bijzondere bromfiets, gelede bus of samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig worden gesleept.

Artikel 5.18.3 RV [Hinderen van de bestuurder]#

De bestuurder mag bij het besturen niet door passagiers, lading of op een andere wijze worden gehinderd.

Artikel 5.18.4 RV [Zicht van de bestuurder]#

De bestuurder moet voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en voorste zijruiten en voldoende zicht op het naast en achter het voertuig gelegen weggedeelte hebben via de voorgeschreven spiegels of een camera-monitorsysteem.

Artikel 5.18.5 RV [Zicht bij lading of aanhangwagen]#

Als lading of een aanhangwagen het voorgeschreven zicht vanuit een bedrijfsauto, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine belemmert, moet het voertuig zijn voorzien van buitenspiegels of camera-monitorsystemen waarmee het vereiste weggedeelte wel kan worden overzien.

Artikel 5.18.6 RV [Zekeren van lading]#

  1. Lading moet zo zijn gezekerd dat deze bij normaal verkeer, een volle remming, een plotselinge uitwijkmanoeuvre of slecht wegdek niet van het voertuig kan vallen en de stabiliteit niet in gevaar brengt.
  2. Losse lading die niet kan worden bevestigd, moet deugdelijk zijn afgedekt als afvallen of wegwaaien gevaar of hinder kan veroorzaken.
  3. Vastzetsystemen en stuwagemiddelen moeten goed functioneren en geschikt zijn voor hun doel.

Artikel 5.18.7 RV [Lastdragers]#

  1. Goederen en de lastdrager waarop zij worden vervoerd, moeten deugdelijk zijn bevestigd.
  2. De lastdrager en goederen mogen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken.
  3. Een lastdrager mag verlichting, retroreflectoren en de kentekenplaat niet afschermen, tenzij de vereiste voorzieningen op de lastdrager zijn herhaald.
  4. Ook goederen op het dak moeten op een deugdelijk bevestigde en geschikte lastdrager zijn vastgezet.

Artikel 5.18.8 RV [Scherpe delen van de lading]#

Scherpe of uitstekende delen van de lading die het letselgevaar bij een botsing aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.9 RV [Opklapbare delen]#

Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens vervoer over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

Artikel 5.18.10 RV [Kenteken aanhangwagen]#

  1. Een gekoppelde aanhangwagen waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moet het kenteken van het trekkende motorvoertuig voeren.
  2. De kentekenplaat moet deugdelijk aan de achterzijde zijn bevestigd. Het kenteken moet goed leesbaar en niet afgeschermd zijn.

Artikelen 5.18.11, 5.18.14 en 5.18.15 RV [Maximale afmetingen]#

Voertuig of samenstel Maximum
Opleggertrekker met oplegger 16,50 m lang
Bedrijfsauto met autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel 18,75 m lang
Personenauto of driewielig motorrijtuig met aanhangwagen 18,00 m lang
Bus met aanhangwagen 18,75 m lang
Personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig of aanhangwagen, met inbegrip van lading De voor het voertuig toegestane breedte en ten hoogste 4,00 m hoog

Artikelen 5.18.12 en 5.18.13 RV [Uitstekende lading]#

  1. Lading mag in beginsel niet meer dan 1,00 m achter het voertuig en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as uitsteken.
  2. Lading mag in beginsel niet voor het voertuig uitsteken.
  3. Lading mag het zicht op verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers en kentekenplaat niet belemmeren, tenzij deze voorzieningen op de uitstekende lading zijn herhaald.
  4. Voor ondeelbare lading gelden de uitzonderingen en markeringsverplichtingen van artikel 5.18.13.

Artikelen 5.18.17a en 5.18.17h RV [Massa en aantal passagiers]#

  1. De toegestane maximummassa van een bedrijfsauto, bus of personenauto mag niet worden overschreden.
  2. Bij controle van een bedrijfsauto of bus wordt de geregistreerde toegestane maximummassa gebruikt. Als deze ontbreekt, geldt onverminderd de overige grenzen een maximum van 50.000 kg.
  3. Een bus mag niet meer passagiers vervoeren dan het voor die bus geregistreerde maximumaantal.

Artikel 5.18.18a RV [Aanhangwagen achter personenauto]#

  1. Een geremde aanhangwagen achter een personenauto mag maximaal 3.500 kg wegen en mag de geregistreerde of technisch toegestane te trekken massa niet overschrijden.
  2. Een ongeremde aanhangwagen achter een personenauto mag maximaal 750 kg wegen en mag de geregistreerde of technisch toegestane te trekken massa en de helft van de massa van het trekkende voertuig niet overschrijden.
  3. Als voor de personenauto geen maximum te trekken massa is geregistreerd, mag deze geen aanhangwagen voortbewegen.

Artikel 5.18.19 RV [Motorfiets met lading of aanhangwagen]#

  1. Lading op een motorfiets op twee wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant uitsteken.
  2. Een gekoppelde motorfietsaanhangwagen mag met lading niet breder zijn dan 2,00 m, niet hoger dan 1,00 m en niet zwaarder dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets.

Artikel 5.18.32a0 RV [Maximumconstructiesnelheid]#

De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan de voor het voertuig geregistreerde maximumconstructiesnelheid. Bij een samenstel geldt de laagste maximumconstructiesnelheid van de gekoppelde voertuigen.

Artikelen 5.18.33 tot en met 5.18.36 RV [Remmen van samenstellen]#

  1. Een aanhangwagen van ten hoogste 750 kg achter een personenauto, bedrijfsauto of driewielig motorrijtuig hoeft geen reminrichting te hebben als de totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig.
  2. Als een aanhangwagen een reminrichting heeft, moet deze in werking treden wanneer de bedrijfsrem van het trekkende voertuig wordt bediend.
  3. De bedrijfsrem van een samenstel moet op een droge of nagenoeg droge, ongeveer horizontale weg een remvertraging van ten minste 4,0 m/s² bereiken.
  4. De parkeerrem van het trekkende motorvoertuig moet het samenstel op een helling van 10% in beide richtingen stil kunnen houden.

Artikelen 5.18.36c en 5.18.36d RV [Bijzondere lichtfuncties]#

  1. Extra achteruitrijlichten en manoeuvreerlichten mogen bij voorwaarts rijden slechts tot 10 km/h branden.
  2. Het noodstopsignaal mag alleen automatisch worden geactiveerd boven 50 km/h als het ABS werkt, of bij een remvertraging van meer dan 6,0 m/s² voor voertuigen tot en met 3.500 kg en meer dan 4,0 m/s² voor zwaardere voertuigen. Het signaal wordt automatisch uitgeschakeld als het ABS niet meer werkt of de remvertraging onder 2,5 m/s² komt.

Artikelen 5.18.37 tot en met 5.18.38a RV [Verlichting van samenstellen]#

  1. Een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig dat een aanhangwagen trekt, moet aan elke zijkant een zijrichtingaanwijzer hebben.
  2. De verlichting en lichtsignalen van een aanhangwagen of lastdrager moeten dezelfde functies volgen als die van het trekkende voertuig.
  3. Als een aanhangwagen of lastdrager een eigen mistachterlicht heeft dat vanuit het trekkende voertuig wordt bediend, hoeft alleen dat mistachterlicht te branden.

Artikelen 5.18.54 tot en met 5.18.59 RV [Koppeling]#

  1. Een aanhangwagen moet met één passende en geschikte koppeling zijn verbonden. De koppeling moet tegen lostrillen zijn geborgd en zijdelings uitwijken zoveel mogelijk voorkomen.
  2. De gekoppelde voertuigen moeten vrij ten opzichte van elkaar kunnen bewegen zonder te worden begrensd door rem-, elektrische of koppelingsonderdelen.
  3. Een aanwezige hulp- of losbreekkoppeling moet met een vast deel van het trekkende voertuig zijn verbonden en pas werken nadat de hoofdkoppeling losraakt.
  4. Motorfiets- en bromfietsaanhangwagens moeten beweging om de vereiste assen toelaten. Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.

Artikel 5.18.60 RV [Snelheidsbord]#

  1. Een bromfiets op drie of meer wielen met carrosserie moet achterop een duidelijk leesbaar bord of vlak met de aanduiding ‘45’ hebben.
  2. Een aanhangwagen voor personenvervoer moet achterop een duidelijk leesbaar bord of vlak met de aanduiding ‘25’ hebben.
  3. Het bord of vlak is rond, heeft een doorsnede van ten minste 0,20 m en is wit met een rode rand en zwarte cijfers.

Artikel 5.18.63 RV [Blustoestel bij personenvervoer]#

Een trekkend voertuig van een samenstel met één of meer aanhangwagens voor personenvervoer moet ten minste één draagbaar blustoestel met ten minste 2 kg ABC-bluspoeder hebben.